Uitspraak
13 augustus 2015, 14/2832 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een politieambtenaar, maakte bezwaar tegen een functioneringsbeoordeling over de periode van december 2009 tot november 2010, die op 11 maart 2011 was vastgesteld. Hij vorderde intrekking en herbeoordeling van deze beoordeling, stellende dat deze onvolledig was en geen uitspraak bevatte over potentieel en geschiktheid voor een hogere functie.
De korpschef wees het verzoek tot intrekking af en verklaarde het bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigde echter de niet-ontvankelijkverklaring en bepaalde dat het bezwaar gegrond was voor zover het niet-ontvankelijk was verklaard, maar handhaafde het bezwaar voor het overige als ongegrond.
In hoger beroep beperkte appellant zijn vordering tot vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand en griffierecht, stellende dat hij onnodig procedurekosten had moeten maken door de onjuiste niet-ontvankelijkverklaring. De Raad oordeelde dat vergoeding alleen mogelijk is indien het verzoek tot intrekking ten onrechte was afgewezen, wat niet het geval was. Daarom blijven de kosten voor rekening van appellant. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees erop dat de korpschef reeds was veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in eerdere procedures.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 februari 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant krijgt geen vergoeding van kosten rechtsbijstand en griffierecht.