Appellante met ernstige psychiatrische problematiek heeft bezwaar gemaakt tegen een door het CIZ genomen AWBZ-besluit inzake haar indicatie voor begeleiding en verblijf. Het CIZ had haar geïndiceerd voor begeleiding in groepsverband en individueel, maar geweigerd een indicatie voor verblijf toe te kennen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat zij wel recht heeft op verblijf en een langer zorgzwaartepakket nodig heeft. De Raad toetst de bevoegdheid van het CIZ en bevestigt dat het CIZ bevoegd was het bezwaar te behandelen omdat de aanvraag vóór 1 januari 2015 is ingediend. De Raad beoordeelt de medische adviezen van deskundigen die zorgvuldig zijn opgesteld en concludeert dat appellante niet is aangewezen op verblijf, omdat zij niet voldoet aan de noodzakelijke leefklimaten zoals permanent toezicht.
De Raad oordeelt dat de geïndiceerde begeleiding passend is en dat de duur van zes maanden conform regelgeving is vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Appellante krijgt de mogelijkheid voor een second opinion. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.