Uitspraak
16.4278 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de vaststelling van de hoogte van de gebundelde uitkering over 2015. De staatssecretaris had bij besluit van 26 september 2014 een voorlopig budget toegekend met een 5% correctie wegens het niet tijdig aanleveren van verantwoordingsinformatie over 2013. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, hetgeen de Raad bevestigt.
De appellant stelde dat ten tijde van het besluit de Participatiewet (PW) en bijbehorende regelingen nog niet van kracht waren, waardoor de correctie geen wettelijke basis had. De Raad oordeelde dat de Wet werk en bijstand (WWB) destijds nog van toepassing was en dat de bevoegdheid tot het nemen van het besluit op grond van artikel 69 WWB Pro bestond. De correctie is gebaseerd op het Besluit PW en de Regeling PW, die teruggrijpen op het Besluit WWB 2007 en de Regeling WWB, en is daarmee rechtsgeldig.
Verder stelde appellant dat de correctie in strijd was met artikel 108 Gemeentewet Pro en het evenredigheidsbeginsel, omdat het een korting opleverde die niet in verhouding zou staan tot de belangen van de gemeente. De Raad oordeelde dat de correctie geen bestraffend karakter heeft, maar bedoeld is om te voorkomen dat gemeenten voordeel halen uit te late indiening, wat nadelig is voor andere gemeenten. De correctie is objectief en proportioneel, en de staatssecretaris had geen discretionaire bevoegdheid om hiervan af te wijken.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatigheid van de 5% correctiefactor bij late indiening van verantwoordingsinformatie voor de gebundelde uitkering 2015.