Uitspraak
11 september 2015, 14/6340 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college kende aanvankelijk opvang toe voor de duur van een ziekenboegindicatie, maar wijzigde dit besluit later en stelde dat er geen recht op opvang bestond op grond van de Wmo.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde de zaak op basis van de geldende rechtspraak en het toepasselijke recht sinds 24 februari 2014.
De Raad concludeerde dat appellante niet behoort tot de categorie kwetsbare personen die op grond van artikel 8 EVRM Pro een bijzondere bescherming genieten en dat het college geen positieve verplichting heeft om opvang te verlenen. De beroepsgrond van appellante faalde en het hoger beroep werd verworpen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen maatschappelijke opvang te bieden op grond van de Wmo.