Uitspraak
16.3063 ANW
.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2003 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een anonieme melding en onderzoek stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) vast dat betrokkene en K vanaf januari 2014 een gezamenlijke huishouding voerden met wederzijdse zorg, wat het recht op de uitkering beëindigt.
De rechtbank oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was voor wederzijdse zorg en vernietigde het besluit tot intrekking van de uitkering. De Raad toetste dit oordeel en concludeerde dat de checklist en het gespreksverslag van april 2015 een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het bestaan van wederzijdse zorg.
De Raad stelde vast dat de zorg en ondersteuning tussen betrokkene en K verder gingen dan een zakelijke huurrelatie en dat de wijziging in de leefsituatie relevant was voor het recht op uitkering. Betrokkene had haar inlichtingenplicht geschonden door deze wijziging niet te melden. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de intrekking van de nabestaandenuitkering wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft gehandhaafd.