ECLI:NL:CRVB:2017:4384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beslagvrije voet
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam hun bijstand herzag wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf 20 december 2013. Het college vorderde terugbetaling van te veel betaalde bijstand, inclusief inhoudingen op latere uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het bestreden besluit voor zover het de herziening van de bijstand en inhoudingen betrof, maar hield de rechtsgevolgen van de inhoudingen in stand. Appellanten gingen in hoger beroep tegen dit laatste en stelden dat het college de beslagvrije voet niet had gerespecteerd bij de inhoudingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellanten geen voldoende procesbelang hadden omdat zij de teruggevorderde bedragen inmiddels volledig hadden afgelost. Hoewel het college erkende dat de beslagvrije voet was veronachtzaamd, kon het materieel niets meer voor appellanten betekenen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat de teruggevorderde bedragen volledig zijn afgelost.