ECLI:NL:CRVB:2017:4377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opschorting overtolligheidsontslag ambtenaar in verband met strafrechtelijke vervolging
Appellant was sinds 1979 werkzaam als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie, laatstelijk in een integriteitsgevoelige functie. Na beschuldigingen in 2011 startte een onderzoek naar zijn handelen, waarbij ernstige integriteitsschendingen werden vastgesteld, waaronder het afsluiten van een leasecontract dat als een gift kon worden gezien. De minister deed aangifte bij de politie en appellant werd herplaatst vanwege een reorganisatie.
Appellant werd aangewezen als herplaatsingskandidaat met een herplaatsingsperiode tot november 2015, waarna ontslag wegens overtolligheid zou volgen indien geen passende functie werd gevonden. Na een vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie in juli 2015 besloot de minister het overtolligheidsontslag op te schorten om te onderzoeken of andere rechtspositionele maatregelen nodig waren.
Appellant maakte bezwaar tegen deze opschorting, stellende dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op het ontslag per november 2015. De Centrale Raad oordeelde dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft en dat het vertrouwen van appellant niet gerechtvaardigd was, mede omdat al in 2012 was aangegeven dat disciplinaire maatregelen mogelijk waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de opschorting van het ontslag bevestigd.
Uitkomst: De opschorting van het overtolligheidsontslag door de minister is gegrond verklaard en het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard.