ECLI:NL:CRVB:2017:4375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld en WIA-uitkering na herstelverklaring in tweede ziektejaar
Appellante was werkzaam als medewerkster assemblage en verpakking en meldde zich ziek op 16 september 2013. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd het recht op ziekengeld voortgezet vanwege een geplande operatie. In het tweede ziektejaar werd zij door een verzekeringsarts op 26 juni 2015 geschikt verklaard voor haar maatgevende arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld en wees een WIA-uitkering af omdat appellante voor het einde van de wachttijd van 104 weken hersteld was.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat zij door diverse medische aandoeningen niet in staat was haar werk te verrichten. Zij overlegde onder meer medische rapporten van haar reumatoloog en stukken van de gemeente. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen onzorgvuldig waren of de belastbaarheid onjuist hadden ingeschat.
De Raad benadrukte dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 mei 2015 aanzienlijk waren, maar dat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat appellante geschikt was voor haar werk in WSW-verband. Ook het feit dat de gemeente haar ontheven had van arbeidsverplichtingen en hulp bood, betekende niet dat zij niet kon werken. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld en WIA-uitkering had beëindigd en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het recht op ziekengeld en WIA-uitkering beëindigen vanaf 26 juni 2015.