ECLI:NL:CRVB:2017:4345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en gaf op dat zij woonde op een bepaald uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij elders samenwoonde, stelde de gemeente een onderzoek in. Dit leidde tot de conclusie dat appellante sinds januari 2011 niet op het uitkeringsadres verbleef, maar bij haar moeder en later bij haar ex-partner woonde. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, daarnaast legde zij een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit deels en stelde de boete lager vast, omdat geen sprake was van opzettelijk handelen. In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij niet op het uitkeringsadres verbleef, ongeacht haar motief. De feitelijke woonplaats is bepalend voor het recht op bijstand, en het college kon de bijstandbehoevendheid niet vaststellen zonder juiste informatie.
De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand. Wel werd de boete aangepast naar een bedrag dat aansluit bij de draagkracht van appellante, namelijk € 1.183,80, gebaseerd op haar inkomen op bijstandsniveau. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht vergoed. Hiermee werd het eerdere besluit van de rechtbank herroepen en vervangen door de nieuwe boetebepaling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd, de boete wordt verlaagd naar € 1.183,80 passend bij de draagkracht van appellante.