ECLI:NL:CRVB:2017:4233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Wajong-uitkering wegens gewijzigde arbeidsinkomsten
Appellant, sinds 1976 Wajong-uitkeringsgerechtigde, is vanaf 20 oktober 2010 gaan werken als ateliermedewerker. Het UWV heeft op basis van de toenmalige inkomsten de mate van arbeidsongeschiktheid aangepast en de uitkering verlaagd. Later constateerde het UWV dat de inkomsten vanaf 1 januari 2011 waren gestegen door uitbreiding van het aantal werkuren en loonsverhoging, waarop het een terugvordering van €17.203,04 instelde wegens onverschuldigde uitkering.
Appellant voerde bezwaar aan tegen de gehanteerde maatmanfunctie, het inkomensniveau en de terugvordering, en stelde dat het UWV naliet te beoordelen of sprake was van dringende redenen om terugvordering achterwege te laten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV terecht was uitgegaan van de voltijdse functie en het bijbehorende salaris, en dat geen dringende reden voor kwijtschelding bestond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, maar de Raad oordeelde dat het UWV het beleid omtrent terugvordering consistent had toegepast en dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hogere inkomsten gevolgen zouden hebben voor de uitkering. De Raad bevestigde dat de MBA-opleiding en functiewijzigingen geen aanleiding gaven tot aanpassing van het maatmaninkomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarbij tevens werd vastgesteld dat geen sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel of dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van te veel betaalde Wajong-uitkering wordt bevestigd.