Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand voor een alleenstaande ouder op een specifiek uitkeringsadres. Het college vermoedde dat zij niet daadwerkelijk op dat adres woonde, maar samenwoonde met een ander persoon op een ander adres. Een onderzoek door een sociaal rechercheur, inclusief analyse van water-, gas- en elektriciteitsverbruik, huisbezoek en buurtonderzoek, leidde tot het besluit om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De Raad beoordeelde de periode van intrekking en stelde vast dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde, vooral door het extreem lage waterverbruik dat niet verklaard kon worden door een zuinige leefwijze.
Ook het gas- en elektriciteitsverbruik was extreem laag, wat eveneens niet voldoende werd verklaard door appellante. Het huisbezoek toonde een volledig ingerichte woning, maar zonder tekenen van daadwerkelijke bewoning. Verklaringen van buurtbewoners waren onvoldoende gedetailleerd om het hoofdverblijf te bepalen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.