Uitspraak
15.7960 ZW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 2008 met rugklachten uitviel, ontving aanvankelijk een WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat zij vanaf 26 mei 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. Na ziekteperiodes ontving zij ziekengeld, dat het UWV op 18 november 2013 introk omdat zij volgens medisch onderzoek geschikt was voor de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd en dat de beperkingen die appellante aanvoerde onvoldoende waren om het recht op ziekengeld te handhaven. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en verwees naar rapporten van verzekeringsartsen die meer beperkingen vaststelden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de medische situatie zorgvuldig had beoordeeld, waarbij ook informatie van behandelend specialisten was betrokken. De Raad vond geen aanwijzingen dat het UWV onjuiste conclusies had getrokken of een incompleet beeld had. De rapporten van de door appellante ingeschakelde artsen konden de conclusies van het UWV niet weerleggen, mede omdat een van de rapporten pas jaren na de datum in geschil was opgesteld.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 21 november 2013. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 21 november 2013 wordt bevestigd.