Uitspraak
OVERWEGINGEN
Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig militair, verzocht om toekenning van een reservistenpensioen. De minister van Defensie wees dit verzoek af omdat in de defensiegegevens geen bewijs was van deelname aan een oefening uit 1987. Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat eveneens ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. In het hoger beroep werd vastgesteld dat het ABP bevoegd is voor militaire pensioenen sinds 2001 en dat de minister slechts een conversiebesluit kan nemen.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de oefening heeft deelgenomen. Verklaringen van anderen werden vanwege twijfel aan hun betrouwbaarheid terzijde gelegd en een andere deelnemer verklaarde met zekerheid dat appellant niet aanwezig was. Ook het bijschrijven van de oefening op de personeelskaart door de minister gaf geen rechten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het reservistenpensioen bevestigd.