Appellante ontving sinds 2011 een WIA-uitkering wegens psychische en lichamelijke klachten, die in 2012 werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een melding van verslechtering in 2013 heeft het UWV aanvullend medisch onderzoek verricht, waarbij de beperkingen werden vastgesteld en de arbeidsongeschiktheid op 100% werd gesteld. Later onderzoek in bezwaar en beroep leidde tot een herbeoordeling waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%, waarna het UWV de uitkering wilde beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige passende functies had geselecteerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten, waaronder migraine en pijn, onvoldoende waren meegewogen en dat haar belastbaarheid was overschat. Zij verzocht ook om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was, dat de klachten zoals fibromyalgie en migraine voldoende waren meegewogen en dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren die tot meer beperkingen leidden. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt waren en wees het verzoek om een deskundige af. De WIA-uitkering is daarom terecht per 25 juni 2014 beëindigd.