Uitspraak
16.6649 AWBZ
OVERWEGINGEN
13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:408). Verder wijst de Raad volledigheidshalve nog op zijn uitspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2408.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €25.592,64 voor AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor stelde het pgb later op nihil vast en vorderde het bedrag terug wegens het ontbreken van verantwoording over de besteding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en onvoldoende aannemelijk maakte dat de zorgverleners daadwerkelijk AWBZ-zorg hadden geleverd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het pgb correct had besteed en dat eventuele administratieve tekortkomingen aan de zorgverlener te wijten waren.
De Raad oordeelde dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de zorgverleners AWBZ-zorg hebben verleend. De zorgplannen waren onduidelijk of ontbraken, en de aangevoerde activiteiten kwalificeren niet als AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor mocht daarom het pgb lager vaststellen en de voorschotten terugvorderen. De belangenafweging door het Zorgkantoor was redelijk en het beroep slaagt niet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pgb voor 2014 blijft op nihil vastgesteld.