Appellante diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen vanwege een psychiatrische grondslag die niet onder artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz valt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de adviezen van de medisch adviseurs zorgvuldig en inhoudelijk juist waren. Appellante betwistte dit en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat de medisch adviseurs hun adviezen zorgvuldig hadden opgesteld, onder meer na huisbezoek en beoordeling van medische informatie, waaronder een verklaring van de behandelend psychiater. Omdat appellante geen nieuwe medische informatie aanleverde die twijfel zou kunnen zaaien over de adviezen, zag de Raad geen aanleiding tot benoeming van een deskundige.
De Raad bevestigde dat een psychiatrische grondslag geen toegang geeft tot Wlz-zorg en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.