Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek in november 2008 en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst in juli 2009. Hij vroeg pas in december 2014 een WIA-uitkering aan, ruim na de wettelijke termijn. Het UWV stelde vast dat vanwege deze te late aanvraag het recht op uitkering niet eerder kon ingaan dan 17 januari 2014. Een bezwaar hiertegen werd deels toegewezen door het UWV, die de ingangsdatum stelde op 9 december 2013.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het UWV van februari 2012 aan de gemachtigde van appellant als een latere kennisgeving in de zin van de Wet WIA kon worden aangemerkt, waardoor appellant binnen vier weken na ontvangst van die kennisgeving had moeten aanvragen. Dit gebeurde niet, zodat de aanvraag te laat was. Er was geen sprake van een bijzonder geval dat terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 december 2013 op minder dan 35% werd als zorgvuldig en juist beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief niet als kennisgeving aan hem zelf gold en dat er wel een bijzonder geval was vanwege zijn psychische gesteldheid. Ook betwistte hij de geschiktheid van bepaalde functies en de urenbeperking. De Raad verwierp deze bezwaren, bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot inschakeling van een deskundige af. De medische beoordeling en functiegeschiktheid waren voldoende onderbouwd. De Raad bevestigde dat het UWV niet bevoegd was de uitkering eerder te laten ingaan dan 9 december 2013.