Uitspraak
Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2016, 16/2128, en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter van de Raad heeft dit verzoek om voorlopige voorziening afgewezen op 17 januari 2017. Vervolgens heeft verzoeker op 24 januari 2017 een verzoek om wraking van de voorzieningenrechter ingediend.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om wraking moet worden gedaan voordat uitspraak is gedaan, omdat na uitspraak de zaak niet langer bij de rechter in behandeling is. De wet voorziet niet in wraking na uitspraak.
Daarnaast bepaalt de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges dat een wrakingskamer een verzoek om wraking niet in behandeling hoeft te nemen indien het na uitspraak is ingediend. Gezien het verzoek na de uitspraak van de voorzieningenrechter is ingediend, wordt het verzoek niet in behandeling genomen. Een inhoudelijke beoordeling van de gronden van het wrakingsverzoek blijft achterwege.
Uitkomst: Het verzoek om wraking wordt niet in behandeling genomen omdat het na uitspraak is ingediend.