Uitspraak
16.565 WIA
OVERWEGINGEN
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een fulltime chauffeur, meldde zich ziek in 2008 vanwege een stollingsstoornis en ontving vanaf 2010 een WGA-uitkering. Na diverse besluiten van het UWV en uitspraken van de rechtbank, meldde appellant zich in 2014 toegenomen arbeidsongeschikt tussen 21 november 2013 en 21 april 2014, onderbouwd met een brief van zijn psychiater.
Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen in die periode. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat meerdere psychiaters een verslechtering bevestigden, maar het UWV en de Raad baseerden zich op rapporten van verzekeringsartsen die geen toename van arbeidsongeschiktheid zagen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische rapporten en onderzoeken voldoende onderbouwing boden voor het besluit van het UWV. De brief van de psychiater uit april 2014 kon niet zonder meer worden geïnterpreteerd als bewijs van een terugval vóór die datum. De opname van appellant in november 2014 leidde pas daarna tot volledige arbeidsongeschiktheid.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid is vastgesteld in de periode 21 november 2013 tot 21 april 2014.