ECLI:NL:CRVB:2017:3556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding mede-eigendom woning
Appellante ontving sinds 2001 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat zij sinds 2004 mede-eigenaar was van een woning, hetgeen zij niet had gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 2004 en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond voor een deel van de periode en beperkte de intrekking en terugvordering tot 2007-2015. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door de mede-eigendom niet te melden, ondanks dat zij de notariële akten persoonlijk heeft ondertekend en aanwezig was bij de overdracht.
Appellante voerde aan niet over het vermogen te kunnen beschikken omdat zij niet in de woning woonde en niet bijdroeg aan lasten, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad bevestigt dat het vermogen in de woning aan haar moet worden toegerekend en dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. Ook het beroep op dringende redenen wegens psychische problemen faalt wegens gebrek aan onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van mede-eigendom woning.