ECLI:NL:CRVB:2017:3540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en inhoudelijke afwijzing AWBZ-indicatie persoonlijke verzorging en begeleiding
Appellant, bekend met diverse medische aandoeningen, vroeg op 24 november 2014 een indicatie aan voor persoonlijke verzorging en begeleiding op grond van de AWBZ. Het CIZ wees deze aanvraag bij besluit van 8 januari 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 28 augustus 2015, omdat behandelmogelijkheden voorliggend zouden zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, mede omdat de aanvraag sinds 1 januari 2015 onder de Wmo 2015 valt en CIZ niet langer bevoegd is. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk procesbelang heeft, omdat hij zorg ontvangt van zijn echtgenote waarvoor hij geen vergoeding kan krijgen zonder indicatie en pgb.
De Raad oordeelt dat appellant voldoende procesbelang heeft, mede omdat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit ook van belang kan zijn voor toekomstige aanvragen bij het college van burgemeester en wethouders. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en beoordeelt het beroep inhoudelijk.
Op basis van medische adviezen concludeert de Raad dat behandelmogelijkheden voorliggend zijn, waardoor appellant niet in aanmerking komt voor AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Appellant heeft dit standpunt onvoldoende weerlegd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens wordt CIZ veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2015 wordt ongegrond verklaard vanwege voorliggende behandelmogelijkheden.