ECLI:NL:CRVB:2017:3467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende immateriële schade na onrechtmatig besluit bijstand
Appellant vorderde schadevergoeding wegens immateriële schade na onrechtmatige terugvordering van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Weert. Het college had bij besluit de bijstand ingetrokken en kosten teruggevorderd, maar de Raad oordeelde dat het college niet bevoegd was tot medeterugvordering. Appellant stelde vervolgens een verzoek tot schadevergoeding in, onderbouwd met een verklaring van hemzelf en zijn huisarts over gezondheidsklachten en emotionele gevolgen.
Het college wees het verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geestelijk letsel had geleden dat een aantasting van zijn persoon vormde in de zin van artikel 6:106 BW Pro. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en overwoog dat psychisch onbehagen en gekwetst voelen onvoldoende zijn voor vergoeding. De medische stukken waren onvoldoende onderbouwd en de verklaring van appellant, mede ondertekend door de huisarts, werd niet als voldoende bewijs gezien.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de klachten ernstiger waren dan slechts gekwetst voelen en dat het wijkonderzoek en de terugvordering hem aanzienlijke sociale en emotionele schade hadden toegebracht. De Raad oordeelde echter dat de verklaring onvoldoende inzicht gaf in de aard en omvang van de klachten en dat de gevolgen niet verder gingen dan psychisch onbehagen. De afwijzing van de schadevergoeding werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel.