ECLI:NL:CRVB:2017:3023

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2017
Publicatiedatum
4 september 2017
Zaaknummer
12/6791 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in kinderbijslagzaak

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan op 1 september 2017 in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem. De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over kinderbijslag. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had eerder de aanvraag van appellante om kinderbijslag afgewezen, omdat zij geen geldige verblijfsstatus had. Na een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft de Svb haar standpunt herzien en alsnog kinderbijslag toegekend aan appellante, die een Nederlands kind heeft. De Raad heeft de vraag beoordeeld of de redelijke termijn voor de procedure was overschreden. De Raad concludeert dat de redelijke termijn niet is overschreden, omdat de totale procedure minder dan vier jaar heeft geduurd, exclusief de tijd die gemoeid was met de prejudiciële beslissing. De Raad heeft ook de proceskostenvergoeding vastgesteld en de Svb veroordeeld tot betaling van de kosten van appellante. De uitspraak van de rechtbank is vernietigd en het beroep tegen het besluit van de Svb is gegrond verklaard.

Uitspraak

12/6791 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
13 november 2012, 12/2162 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 1 september 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft hoger beroep ingesteld en dit hoger beroep ter zitting ingetrokken.
Partijen hebben verweerschriften ingediend.
Bij verzoek van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665 (verzoek), heeft de Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in onder meer deze zaak verzocht om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Het Hof heeft arrest gewezen op 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez Vilchez e.a.).
De Svb heeft op 22 juni 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellante is hierop gereageerd.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) verzocht ter zitting inlichtingen te verschaffen.
Het geding is ter zitting behandeld op 21 juli 2017, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken. Appellante is in persoon verschenen en is bijgestaan door mr. Weijsenfeld. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes en mr. S. Asadi. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Stroo, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt ook verwezen naar het verzoek en het arrest Chavez Vilchez e.a.
1.2.
Bij besluit van 30 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 april 2012 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van appellante om kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2011 en het eerste kwartaal van 2012 afgewezen omdat zij geen geldige verblijfsstatus heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van de Svb gevolgd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Naar aanleiding van het arrest Chavez Vilchez e.a. heeft de Svb het standpunt ingenomen dat aan appellante, die een Nederlands kind heeft, niet langer artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt tegengeworpen. Ook overigens voldoet appellante aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag, zodat zij verzekerd is ingevolge de AKW.
3.2.
Dit standpunt is neergelegd in het besluit van 22 juni 2017, waarin de Svb het bestreden besluit heeft ingetrokken en alsnog kinderbijslag heeft toegekend ten behoeve van het kind [naam kind] met ingang van het vierde kwartaal van 2011. Tevens is de wettelijke rente vergoed over de na te betalen kinderbijslag en zijn de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar vergoed tot een bedrag van € 990,-.
3.3.
In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat nog moet worden beslist over de proceskosten in beroep en in hoger beroep en dat wordt verzocht een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van dit laatste heeft de gemachtigde van appellante betoogd dat gezien de zeer jonge leeftijd van [naam kind] in deze procedure bepleit kan worden dat de standaardtermijnen die door de Raad gehanteerd worden bij de vaststelling van de schade, alsmede de hoogte van de standaard schadevergoeding niet redelijk is in de omstandigheden van het geval. Daarbij dient volgens de gemachtigde zwaar mee te wegen dat [naam kind] de Nederlandse nationaliteit heeft, jarenlang onder het bestaansminimum heeft geleefd en daardoor ernstig is belemmerd in haar ontwikkeling. Voorts is van belang dat het Unierecht niet conform artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toegepast.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met het besluit van 22 juni 2017 is de Svb geheel aan de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 november 2011 tegemoetgekomen. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb dan ook niet in de beoordeling betrokken.
4.2.
Uit 3.2 volgt dat de Svb het besluit van 30 november 2011 en het bestreden besluit niet handhaaft, zodat het bestreden besluit en ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.
4.3.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
4.4.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van
26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van
19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de Raad uitspraak heeft gedaan. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, wordt de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing buiten beschouwing gelaten. Verder is in beginsel een vergoeding gepast van
€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.5.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Svb op 22 december 2011 tot de uitspraak van de Raad zijn vijf jaar en ongeveer negen maanden verstreken. Hiervan telt een periode van twee jaar en ongeveer twee maanden (17 maart 2015 tot 10 mei 2017) niet mee in verband met de procedure bij het Hof. Dit betekent dat de redelijke termijn volgens de uitgangspunten in eerder genoemde rechtspraak van vier jaar niet is overschreden.
4.6.
De Raad volgt de gemachtigde van appellante niet in haar betoog dat er aanleiding is de redelijke termijn in dit geval te verkorten. Bij dit oordeel is niet uit het oog verloren dat in zaken waarin de belangen van het kind een grote rol spelen voortvarend moet worden gehandeld en dat er zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van die termijn in verband met de belangen die op het spel staan (vergelijk het onder 4.4 genoemde arrest van de Hoge Raad, overweging 3.5.1). Met inachtneming van die belangen kan, mede gezien de complexiteit van deze zaak, niet worden gezegd dat de zaak met onvoldoende voortvarendheid is behandeld en daarom niet binnen een redelijke termijn is afgedaan.
5.1.
Aanleiding bestaat voor een vergoeding van de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, waarbij rekening moet worden gehouden met de proceshandelingen in de nationale procedure en de procedure bij het Hof. De waarde per proceshandeling in beroep en hoger beroep bedraagt volgens het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder B1 € 495,- per punt. De Raad merkt de onderhavige zaak mede vanwege het debat in beroep en hoger beroep over Europese regelgeving aan als zwaar, zodat het gewicht van de zaak met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C1 op wegingsfactor 1,5 wordt gesteld. Daarnaast dient voor de beroeps- en de hoger beroepsfase afzonderlijk te worden beoordeeld of bij de in die fase behandelde zaken sprake is van samenhang in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Indien zich in een fase van de procedure een dergelijke samenhang tussen zaken voordoet, dienen die zaken voor de berekening van een proceskostenvergoeding voor die gehele fase als één zaak te worden gezien. Het voorgaande leidt tot de volgende vaststelling van de proceskostenvergoeding.
Beroepsfase
5.2.
In deze zaak wordt de vergoeding voor de verleende rechtsbijstand begroot op € 1.485,-, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak.
Hoger beroepsfase
5.3.
Ter zitting is een groot aantal zaken van diverse personen met de Svb en verschillende colleges van burgemeester en wethouders als wederpartij, gelijktijdig behandeld. Hoewel in al deze zaken één gemeenschappelijke rechtsvraag speelt, bestaan er onderling ook grote inhoudelijke verschillen zowel wat betreft de feiten en persoonlijke omstandigheden van betrokkenen als de aangevoerde hoger beroepsgronden en verweerschriften. Van nagenoeg identieke werkzaamheden kan dan ook geen sprake zijn. Gelet hierop worden alle gevoegd behandelde zaken van de verschillende gezinnen niet als samenhangende zaken aangemerkt.
Dit kan in de hoger beroepsfase echter anders liggen in de individuele zaken. Deze zaak, waarin de Svb wederpartij is, is in de hoger beroepsfase gelijktijdig behandeld met de zaak 12/4197 WWB, waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (college) wederpartij is. De zaak 12/4197 WWB is door het college voor de zitting ingetrokken en in die zaak, waarin namens betrokkene om een vergoeding van proceskosten is gevraagd, zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan. Omdat in deze zaken de rechtsbijstand is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband, de Fischergroep, de zaken door de Raad gelijktijdig zijn behandeld en de werkzaamheden in hoger beroep nagenoeg identiek konden zijn, worden deze zaken aangemerkt als samenhangende zaken. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 de factor 1 wordt toegekend. In deze zaken wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep vastgesteld op € 5.197,50. Te weten 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het indienen van de verweerschriften, 2 punten voor het maken van schriftelijke opmerkingen ten behoeve van de procedure bij het Hof, 2 punten voor het verschijnen bij de mondelinge behandeling bij het Hof en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad. Dus 7 punten in totaal, vermenigvuldig met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak en vermenigvuldigd met factor 1 voor het aantal samenhangende zaken van minder dan vier. Nu appellante in het gelijk gesteld is zowel in de kinderbijslagzaak als in de zaak die betrekking heeft op de algemene bijstand, acht de Raad het redelijk de Svb en het college te veroordelen tot vergoeding van ieder de helft van de vastgestelde vergoeding. Het door de Svb te vergoeden bedrag voor de kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand wordt daarom gesteld op € 2.598,75.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.083,75;
- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 157,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2017.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) H. Achtot

AB