ECLI:NL:CRVB:2017:2965

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2017
Publicatiedatum
30 augustus 2017
Zaaknummer
14/4561 MPW-W2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbWrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013, artikel 3 lid 2 onderdeel c
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter Centrale Raad van Beroep

Verzoeker heeft in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd eerder al afgewezen. Vervolgens diende verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek in, gericht tegen de Raad als geheel, met kritische en onfatsoenlijke bewoordingen.

De Raad overwoog dat het wrakingsverzoek geen concrete feiten of omstandigheden bevat die wijzen op een gebrek aan onpartijdigheid van de individuele behandelend rechter. De argumenten richtten zich tegen de Raad als rechtsorgaan en niet tegen de persoon van de rechter, waardoor het verzoek niet in behandeling kon worden genomen op grond van de Wrakingsregeling.

Daarnaast maakte de Raad gebruik van de bevoegdheid om vervolgverzoeken wegens misbruik niet in behandeling te nemen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen en vervolgverzoeken wegens misbruik worden uitgesloten.

Uitspraak

14/4561 MPW-W2
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 30 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
14 juli 2014 (12/8377) in een geding tussen verzoeker en de Minister van Defensie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. De behandelend rechter was mr. M.T. Boerlage. Tijdens de zitting heeft verzoeker een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend. Bij beslissing van 22 mei 2017 is het verzoek afgewezen (ECLI:NL:CRVB:2017:2039).
Op 19 juli 2017 is aan verzoeker meegedeeld dat het onderzoek ter zitting wordt voortgezet op 7 september 2017. De behandelend rechter is mr. dr. B.J. van de Griend (behandelend rechter).
Op 24 augustus 2017 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013, Stcrt. 2013, 11425 (Wrakingsregeling) bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoeker heeft zijn verzoek gericht aan “de Boeven van de Centrale Raad van Beroep”. Een fatsoenlijker aanhef kan hij naar zijn zeggen niet bedenken voor “Uw vermeende Rechtscollege, want van RECHTSPREKEN” is in zijn geval en velen met hem geen sprake. Vervolgens heeft hij in zijn verzoek toegelicht waarom hij de Raad als rechtsorgaan niet serieus neemt en dat hij om die reden opnieuw een wrakingsverzoek indient.
4. De aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten bevatten geen gronden waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker van mening is dat de behandelend rechter zich jegens hem niet onpartijdig heeft opgesteld. De aangevoerde gronden zijn gericht tegen de Raad als zodanig en zien niet op (de persoon van) de behandelend rechter. Gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wrakingsregeling bestaat er aanleiding het verzoek niet in behandeling te nemen.
5. Er is ook aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking wegens misbruik in de onderhavige procedure niet in behandeling wordt genomen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
  • bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en W. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.L. Rijnen
IvR