ECLI:NL:CRVB:2017:2953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invaliditeitspensioen en vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, een gewezen militair, ontvangt sinds 1999 een invaliditeitspensioen vanwege een aandoening aan beide handen die verband hield met zijn militaire dienst. Na herbeoordelingen in 2003 en 2010 concludeerden verzekeringsartsen dat de aandoening voortkomt uit een endogene predispositie, waardoor de minister het invaliditeitspensioen in 2011 beëindigde en verving door een pensioenvervangende uitkering. Appellant maakte bezwaar en de rechtbank vernietigde in 2015 het besluit, waarna de minister in 2015 het invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht verhoogde naar een mate van invaliditeit van 36%.
Appellant stelde in hoger beroep dat de mate van invaliditeit te laag werd vastgesteld en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de medische rapporten van de minister en appellant voldoende waren en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De Raad verwierp het verzoek om een deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Daarnaast behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale procedure duurde ruim zes jaar, waarbij de overschrijding werd toegerekend aan zowel de bestuursfase als de rechterlijke fase. De Raad kende een vergoeding van € 1.000 toe, waarvan € 750 voor rekening van de minister en € 250 voor de Staat. Tevens werden proceskosten toegekend.
De Raad bevestigde de bestreden uitspraak, wees het verzoek om een deskundige af, en veroordeelde de minister en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, het invaliditeitspensioen wordt voortgezet en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.