Uitspraak
,advocaat, hoger beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
.De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 februari 2015.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en heeft in de periode januari tot en met juni 2014 meerdere auto’s op zijn naam geregistreerd gehad die hij niet heeft gemeld aan het college. Uit onderzoek bleek dat deze voertuigen werden geëxporteerd en dat appellant als tussenpersoon optrad bij de handelstransacties. Het college besloot daarom de bijstand over die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen, evenals het opleggen van een bestuurlijke boete.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door de transacties niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellant kon geen bewijs leveren dat hij recht had op bijstand in die periode.
Ten aanzien van de boete oordeelde de Raad dat sprake was van normale verwijtbaarheid, waarbij de boete terecht op 50% van het benadelingsbedrag werd vastgesteld. Appellant had geen verzwarende omstandigheden aangevoerd en evenmin bijzondere redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarmee zowel de intrekking en terugvordering van de bijstand als de boete.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand, terugvordering en boete worden bevestigd.