Uitspraak
6 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.A. van Dokkum, advocaat. Het Uwv is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als callcentermedewerker, viel op 1 juni 2009 wegens ziekte uit en haar dienstverband eindigde op 22 september 2010. Zij vroeg op 22 februari 2011 een WIA-uitkering aan, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij geschikt werd geacht haar eigen werk te hervatten. Na bezwaar en beroep bleef het besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad liet meerdere deskundigen rapporteren: een psychiater, een neuroloog en een reumatoloog. Deze deskundigen concludeerden dat appellante beperkingen had, maar voldoende in staat was om haar werk te verrichten. De Raad oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen juist waren. Appellante's stelling dat het UWV tekort was geschoten in haar onderzoeksplicht en dat traumatische gebeurtenissen onvoldoende waren meegenomen, werd niet gevolgd.
De Raad nam mee dat hoewel appellante bij haar werkgever onder het gemiddelde scoorde, dit niet betekent dat zij ongeschikt was. De werkgever constateerde bovendien verbetering en was tevreden over andere werkonderdelen. Gelet op deze feiten en de deskundigenrapporten was appellante vanaf 30 mei 2011 geschikt voor haar eigen werk en was de weigering van de WIA-uitkering terecht. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante geschikt werd geacht voor haar eigen werk.