Uitspraak
OVERWEGINGEN
[naam pensioen] dat de partner ontvangt terecht in aanmerking is genomen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1945, ontvangt sinds mei 2010 een AOW-pensioen voor alleenstaanden en daarnaast een pensioen dat bij echtscheiding is verevend met zijn voormalige echtgenote, die de helft ontvangt. Na hun verzoening zijn zij weer gaan samenwonen, waarop de Sociale verzekeringsbank (Svb) het AOW-pensioen heeft aangepast naar de gehuwdennorm en het recht op partnertoeslag ontzegd.
Appellant heeft later een partnertoeslag aangevraagd, maar dit is afgewezen omdat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden en het pensioen dat de partner ontvangt als inkomen wordt meegeteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het pensioen terecht als inkomen is meegenomen.
In hoger beroep stelde appellant dat het pensioen dat de partner ontvangt als alimentatie moet worden gezien en niet als inkomen. De Raad oordeelt dat het Algemeen inkomensbesluit sociale-zekerheidswetten (AISZ) dit niet toestaat en dat het pensioen uit pensioenverevening als inkomen moet worden beschouwd. Er is geen nieuwe informatie aangevoerd die herziening rechtvaardigt, waardoor het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat het pensioen van de partner als inkomen telt bij de partnertoeslag.