Uitspraak
16.1416 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds oktober 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college verzocht hem in juli 2015 om diverse financiële documenten, waaronder bankafschriften en belastingaangiften, binnen een gestelde termijn aan te leveren. Appellant vroeg telefonisch uitstel maar leverde niet alle gevraagde stukken tijdig in.
Het college besloot daarom de uitbetaling van de bijstand vanaf 22 juli 2015 op te schorten en verzocht appellant alsnog de ontbrekende stukken te overleggen. Na het niet nakomen van deze verplichting trok het college de bijstand definitief in met ingang van dezelfde datum. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot opschorting en intrekking, omdat appellant niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De Raad wijst erop dat de gevraagde stukken concreet en specifiek waren vermeld in de brief van 13 juli 2015 en dat appellant voldoende gelegenheid heeft gekregen om deze aan te leveren.
De Raad gaat niet mee in het verweer dat appellant niet wist welke stukken ontbraken, omdat het opschortingsbesluit moet worden gelezen in samenhang met de eerdere brieven. Ook het telefonisch navragen door appellant over de hervatting van de uitkering leidt niet tot een ander oordeel. De uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet tijdig aanleveren van gevraagde stukken wordt bevestigd.