ECLI:NL:CRVB:2017:2709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling veronderstelde ouderlijke bijdrage en aanvullende beurs
Appellant betwistte de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van zijn ouders en daarmee de hoogte van zijn aanvullende beurs over de periode april tot en met december 2015. Hij stelde dat de minister ten onrechte een kortingsbedrag van € 393,- in plaats van € 363,- had gehanteerd voor zijn moeder en dat bij zijn vader ten onrechte geen rekening was gehouden met een kind dat zijn vader in Thailand had erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het kortingsbedrag van € 393,- een kennelijke verschrijving was en dat de minister daadwerkelijk het correcte bedrag van € 363,- had toegepast. Verder stelde de Raad vast dat de vader van appellant niet als ouder van het kind kon worden aangemerkt in de zin van het Burgerlijk Wetboek ten tijde van de relevante periode, omdat de erkenning pas in mei 2016 had plaatsgevonden en geen terugwerkende kracht heeft.
De Raad legde uit dat alleen juridische kinderen meetellen bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage volgens de Wet studiefinanciering 2000. Omdat voor het kind geen aanspraak op een kortingsbedrag was vastgesteld, mocht de minister dit buiten beschouwing laten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister de veronderstelde ouderlijke bijdrage en aanvullende beurs correct heeft vastgesteld zonder rekening te houden met het niet-juridische kind.