ECLI:NL:CRVB:2017:2690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde pgb door Zorgkantoor
Appellant was geïndiceerd voor begeleiding groep met vervoer onder de AWBZ en ontving een pgb voor 2013. Het Zorgkantoor stelde vast dat slechts een deel van de betaalde bedragen aan zijn dochter daadwerkelijk AWBZ-zorg betrof. Na onderzoek en bezwaarprocedures stelde het Zorgkantoor het pgb lager vast en vorderde het onverschuldigd betaalde voorschotten terug.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van appellant door een klein deel van de bestede uren als AWBZ-zorg te erkennen, maar verklaarde het beroep tegen de terugvordering in de tweede helft van 2013 ongegrond. In hoger beroep betwist appellant de redelijkheid van de lagere vaststelling en terugvordering, onder verwijzing naar de Vergoedingenlijst pgb 2013 en goedkeuring door het CIZ.
De Raad overweegt dat het Zorgkantoor terecht onderscheid maakte tussen huishoudelijke werkzaamheden en begeleiding in de zin van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. De activiteiten die niet aan de definitie van begeleiding voldoen, kunnen niet uit het pgb worden bekostigd. Het Zorgkantoor heeft de belangenafweging naar redelijkheid gemaakt en appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die dit betwisten. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en de terugvordering van €19.008,91 is gerechtvaardigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Zorgkantoor het pgb terecht lager heeft vastgesteld en het onverschuldigd betaalde bedrag van €19.008,91 mag terugvorderen.