Uitspraak
27 juli 2016, 15/4586 (aangevallen uitspraak)
mr. P.H.M.E. van de Ven, mr. S. van de Heijden en D.D. van Dijken.
OVERWEGINGEN
1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).
1 januari 2013 een aanvraag in te dienen. Medio 2013 heeft appellant de leidinggevende te kennen gegeven toch in aanmerking te willen komen voor bevordering naar de functie van [functie] . Vervolgens heeft de leidinggevende, mede naar aanleiding van de informatie van de hoofdmedewerkers Damen en Van der Poel (informanten), op 15 december 2013 een conceptbeoordeling opgemaakt. Tevens is, met het oog op het vereiste van verwachte geschiktheid voor de functie van [functie] , aan de hand van een aantal competenties een vragenlijst ingevuld, aangevuld met een toelichting en de volgende conclusie van de informanten: “Als het gaat om potentie, kunnen wij concluderen dat hij zeker potentie heeft, zeker als de gewenste ondersteuning [ten aanzien van het communiceren (verbaal en
non-verbaal), Raad] aangeboden en ondergaan wordt”.
15 december 2013 ongewijzigd vast te stellen, ongeacht of hij zich in die conceptbeoordeling kan vinden. Artikel 9, eerste lid, van het Beoordelingsreglement, waarop appellant zich heeft beroepen, kan niet los worden gezien van artikel 7, eerste lid, dat afstemming met de beoordelingsautoriteit vereist voordat het beoordelingsgesprek - het gesprek tussen de beoordelaar en de medewerker over de conceptbeoordeling - plaatsvindt. De rechtbank heeft die afstemming terecht als een essentieel onderdeel van de beoordelingsprocedure aangemerkt. Nu er ten aanzien van de conceptbeoordeling van 15 december 2013 geen afstemming met de boordelingsautoriteit heeft plaatsgevonden, is de vaststelling van de beoordeling conform de conceptbeoordeling reeds hierom terecht geweigerd. De overige gronden die appellant ter zake heeft aangevoerd, kunnen hier dan ook buiten bespreking blijven.