ECLI:NL:CRVB:2017:2639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken aanvraag zorg bij CIZ
Appellant had bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatie voor zorg ontvangen, maar stelde dat hij vanaf augustus 2014 24-uurszorg ontving zonder dat dit door het CIZ was verwerkt. Hij claimde onbetaalde rekeningen en stelde dat hij een aanvraag voor zorg had ingediend die niet was behandeld, waarna hij beroep instelde wegens fictieve weigering.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat hij daadwerkelijk een aanvraag had ingediend. De verklaringen die appellant overlegde waren onduidelijk, niet ondertekend en boden geen betrouwbaar beeld van de feitelijke gang van zaken. Ook het vermeende moment van indiening strookte niet met de zorgbehoefte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de aanvraag persoonlijk in de brievenbus van het CIZ had gedaan en dat hij door medische redenen niet in staat was zijn belangen goed te behartigen. De Raad oordeelde dat de bewijslast voor de aanvraag bij appellant lag en dat hij geen overtuigend bewijs had geleverd, zoals een aangetekende verzending of ontvangstbevestiging. De medische onderbouwing was onvoldoende.
Daarmee was niet aannemelijk dat een aanvraag was gedaan, waardoor het CIZ niet verplicht was een besluit te nemen en niet in gebreke kon worden gesteld. Het beroep wegens niet tijdig beslissen was daarom niet-ontvankelijk. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aannemelijke aanvraag om zorg bij het CIZ.