ECLI:NL:CRVB:2017:2397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim ondanks verminderd toerekeningsvatbaarheid
Appellant, sinds 2005 ambtenaar, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim nadat hij zijn buurman B met diverse acties probeerde te verjagen, waaronder het versturen van opruiende brieven op naam van B en het beschadigen van eigendommen. In het strafrechtelijk onderzoek werd appellant als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beoordeeld en veroordeeld tot taak- en voorwaardelijke gevangenisstraf.
De staatssecretaris legde appellant ontslag op wegens plichtsverzuim, gebaseerd op zijn bekennende verklaringen en het gebruik van bedrijfsmiddelen voor de gedragingen. Appellant trok later zijn bekentenissen in en stelde dat familieleden de feiten pleegden, maar kon dit niet verifiëren. De rechtbank oordeelde dat het plichtsverzuim toerekenbaar was en het ontslag niet onevenredig.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad stelde zich achter het oordeel van de rechtbank. De Raad vond de intrekking van de bekentenis ongeloofwaardig en concludeerde dat appellant bewust en met inzicht handelde. Gezien de ernst en aard van het plichtsverzuim was ontslag passend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.