ECLI:NL:CRVB:2017:232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens ontbreken gewaarborgde hulp
Appellante beschikte over een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en had een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd bij het Zorgkantoor. Dit werd afgewezen omdat zij niet in staat werd geacht het pgb zelf te beheren, mede doordat de bewindvoerder alleen financieel wilde beheren en geen zorginhoudelijke verantwoordelijkheid wilde dragen. Ook werd de voorgestelde zaakwaarnemer niet geaccepteerd vanwege belangenverstrengeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb had geweigerd op grond van artikel 2.6.4 van de Regeling subsidies AWBZ. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel in staat was het pgb te beheren en dat haar belang zwaarder moest wegen dan de bezwaren van het Zorgkantoor.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de bewindvoerder na het bestreden besluit geen invloed heeft op de beoordeling. Verder is vastgesteld dat appellante niet op eigen kracht het pgb kan beheren en dat de hulp van derden niet gewaarborgd is, omdat de voorgestelde derde partij tevens zorgaanbieder is, wat belangenverstrengeling oplevert. De weigering is dwingend voorgeschreven, zodat een belangenafweging niet aan de orde is.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb wegens het ontbreken van gewaarborgde hulp en het onvermogen van appellante het pgb zelf te beheren.