ECLI:NL:CRVB:2017:2240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsrecht en recht op bijstand na intrekking verblijfsrecht EU-burger
Betrokkene, een Bulgaarse EU-burger, ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na intrekking van haar verblijfsrecht per 4 april 2013 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) werd de bijstand stopgezet en teruggevorderd. Betrokkene diende een nieuwe aanvraag in, die door het college werd afgewezen wegens ontbreken van een geldige verblijfstitel.
De rechtbank had het college opgeroepen alsnog overleg te plegen met de IND om het verblijfsrecht te toetsen, maar het college maakte hier geen gebruik van. De rechtbank vernietigde daarop het besluit en wees de aanvraag toe. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het uitgangspunt blijft dat het college in overleg met de staatssecretaris (IND) moet treden om het verblijfsrecht vast te stellen. Echter, indien het verblijfsrecht eerder is ingetrokken en betrokkene geen relevante gewijzigde omstandigheden heeft gesteld die nieuw recht op verblijf kunnen doen ontstaan, hoeft het college niet opnieuw overleg te plegen.
In deze zaak heeft betrokkene geen nieuwe omstandigheden gesteld, zoals werk als werknemer of zelfstandige, die recht op verblijf kunnen rechtvaardigen. Het college mocht daarom uitgaan van de intrekking van het verblijfsrecht en de aanvraag afwijzen. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, waardoor de aanvraag om bijstand wordt afgewezen.