Uitspraak
OVERWEGINGEN
9 december 2013 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Centrale Raad van Beroep
Appellant voerde aan dat hij tussen 13 juli 2013 en 5 december 2013 werkzaam was bij een uitzendbureau, maar het UWV stelde op basis van een rapport werknemersfraude dat het dienstverband gefingeerd was. De rechtbank had het beroep van appellant tegen de intrekking en terugvordering van zijn Ziektewetuitkering ongegrond verklaard.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en overhandigde verklaringen en foto’s als bewijs. De Raad concludeerde echter dat deze stukken onvoldoende waren om het gefingeerde dienstverband te weerleggen. Het rapport werknemersfraude, facturen en manurenregisters vermeldden appellant niet, en getuigen herkenden hem niet.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief en verifieerbaar bewijs had geleverd en dat zijn medische situatie geen reden was om zijn verklaring zwaarder te wegen. Ook werd geen schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de Ziektewetuitkering bevestigd.