Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en voerde een gezamenlijke huishouding met een partner zonder dit te melden, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving. Het college legde een bestuurlijke boete op van €31.750,-, die de rechtbank matigde tot €4.360,-. In hoger beroep stelde appellante dat de boete onterecht hoog was, dat zij niet met opzet de inlichtingenplicht had geschonden en dat haar financiële draagkracht onvoldoende was om de boete te betalen.
De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden, maar oordeelde dat enkel kennis van deze verplichting onvoldoende is om opzet of grove schuld aan te nemen. Daarom werd de boete teruggebracht tot 50% van het benadelingsbedrag, met verdere matiging vanwege haar financiële situatie. De boete werd vastgesteld op €1.179,34.
De Raad vernietigde het eerdere oordeel over de boetehoogte en stelde het bedrag definitief vast. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van verwijtbaarheid en draagkracht bij het opleggen van bestuurlijke boetes.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €1.179,34 met matiging wegens gewone verwijtbaarheid en financiële draagkracht.