ECLI:NL:CRVB:2017:1868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2017
Publicatiedatum
19 mei 2017
Zaaknummer
16/3450 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafontslag van brandweervrijwilliger wegens betrokkenheid bij vechtpartij en plichtsverzuim

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin het beroep van appellant ongegrond werd verklaard. Appellant, werkzaam als brandweervrijwilliger en in dienst bij de Veiligheidsregio Zeeland, werd op 19 april 2014 aangehouden na een vechtpartij. Het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland legde appellant op 23 oktober 2014 een strafontslag op wegens plichtsverzuim. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat appellant zich niet heeft onttrokken aan de vechtpartij en niet de-escalerend heeft opgetreden. De Raad bevestigt dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim, gezien de ernst van de gedragingen. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 mei 2017.

Uitspraak

16/3450 AW
Datum uitspraak: 18 mei 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 april 2016, 15/3747 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.G. Hop hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hop en mr. drs. M.J. Roelse. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Visser, M. van de Weerd en A. Willemstein.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was sinds 2000 werkzaam als brandweervrijwilliger en daarnaast sinds 1 mei 2001 in dienst als [functie A] bij de rechtsvoorganger van de Veiligheidsregio Zeeland, de [naam brandweer] .
1.2.
In de nacht van 19 op 20 april 2014 is appellant samen met zijn broer aangehouden wegens betrokkenheid bij een vechtpartij in [plaatsnaam] . De waarnemend districtschef van de Politie eenheid [eenheid] , district [district] , heeft de Veiligheidsregio hiervan in kennis gesteld. Verder heeft de officier van justitie de Veiligheidsregio in het bezit gesteld van enkele processen-verbaal. Op 30 april 2014 heeft een verantwoordingsgesprek met appellant plaatsgevonden en is aan appellant buitengewoon verlof verleend voor de duur van het onderzoek en de daarop volgende beraadslaging totdat definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden.
1.3.
Nadat appellant schriftelijk zijn zienswijze over het voornemen daartoe naar voren had gebracht, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 23 oktober 2014 op grond van de artikelen 8:13 en 19:39, onder d, van de CAR/UWO de straf van ongevraagd ontslag
opgelegd. Subsidiair heeft het dagelijks bestuur appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag verleend op andere gronden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
1.4.
Aan het strafontslag zijn bij het besluit van 23 oktober 2014 de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:
a. a) appellant heeft zich in de nacht van 19 op 20 april 2014 niet onttrokken aan de vechtpartij die op enig moment is ontstaan toen hij en zijn broer de shoarmatent ‘ [naam shoarmatent] ’ te [plaatsnaam] verlieten;
b) appellant heeft niet de-escalerend opgetreden;
c) appellant heeft niet meegewerkt op het moment dat de collega’s van de ketenpartner, de politie, de vechtpartij wilden beëindigen en appellant wilden aanhouden.
1.5.
Bij besluit van 20 april 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur, in aanvulling op de onder 1.4 genoemde gedragingen, de volgende als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen ten grondslag gelegd:
d) appellant heeft geweld gebruikt tegen politieambtenaren, althans in ieder geval tegen personen;
e) appellant heeft na de gebeurtenissen niet ten spoedigste uit eigen beweging melding gemaakt bij zijn werkgever van de incidenten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit bevoegdelijk door het dagelijks bestuur is genomen en door de daartoe bevoegde personen is ondertekend. Gelet hierop kan in het midden blijven of de primaire besluiten wel bevoegdelijk zijn genomen - wat appellant heeft bestreden - aangezien volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1872) een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld, indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen.
4.2.
Appellant heeft betoogd dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het ontslagbesluit omdat niet duidelijk was wat de reden voor het gesprek van 30 april 2014 was en of het een verantwoordingsgesprek was als bedoeld in artikel 16:1:3 van de CAR/UWO. Appellant is van mening dat hij hierdoor is benadeeld. Dit betoog leidt naar het oordeel van de Raad niet tot de conclusie dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Uit de toelichting bij artikel 16:1:3 van de CAR/UWO blijkt dat een gesprek als bedoeld in dit artikel plaatsvindt nadat een voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf is meegedeeld. Nu in het geval van appellant nog geen voornemen was uitgebracht, was op 30 april 2014 van een gesprek als bedoeld in artikel 16:1:3 van de CAR/UWO geen sprake. Het dagelijks bestuur heeft er terecht op gewezen dat het gesprek was bedoeld als eerste verantwoordingsgesprek om appellant in de gelegenheid te stellen zijn visie te geven op de gebeurtenissen in de nacht van 19 op 20 april 2014. Niet valt in te zien dat appellant hierdoor is benadeeld. Appellant is ook na het uitbrengen van het voornemen en in de bezwaarfase nog voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op de gebeurtenissen te geven. Van die gelegenheid heeft hij ook gebruik gemaakt.
4.3.
Appellant heeft verwezen naar een rapport van het ‘Verkennend onderzoek werkverhoudingen’ van de ‘Commissie Demmers’ van 7 maart 2016 en gesteld dat het ontslagbesluit willekeurig is genomen, omdat uit het rapport blijkt dat binnen de Veiligheidsregio Zeeland al geruime tijd een bestuurlijke chaos heerste en dat de inhoud van stukken opzettelijk werd gemanipuleerd ten gunste van de Veiligheidsregio Zeeland. De bezwarencommissie is daardoor op het verkeerde been gezet, aldus appellant. De betekenis van dit betoog voor het geschil ontgaat de Raad. De bezwarencommissie heeft immers de conclusies uit het besluit van 23 oktober 2014 ten behoeve van haar advies kunnen verifiëren aan de hand van de beschikbare gegevens, namelijk het door de politie beschikbaar gestelde dossier, inclusief de van het incident opgemaakte processen-verbaal.
4.4.
Het betoog van appellant dat het dagelijks bestuur de processen-verbaal en vervolgens het politiedossier onrechtmatig heeft verkregen treft geen doel. De officier van justitie heeft het dagelijks bestuur bij e-mailbericht van 29 april 2014 een kopie gezonden van de
processen-verbaal van bevindingen van 20 en 21 april 2014 en van de processen-verbaal van verhoor van appellant en zijn broer van 20 april 2014. Nadat het dagelijks bestuur bij
e-mailberichten van 20 en 27 juni 2014 heeft verzocht om het volledige politiedossier met een beroep op artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de daarop rustende Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden, heeft de officier van justitie op 30 juni 2014 medegedeeld dat het dossier aan het dagelijks bestuur zal worden verstrekt. Uit het voorgaande valt af te leiden dat de processen-verbaal en het politiedossier rechtmatig, namelijk op grond van artikel 39f van de Wjsg en de daarop rustende Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden, zijn verstrekt ter beoordeling van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele maatregel. Dat bij die verstrekking aan het dagelijks bestuur een motivering ontbreekt, brengt niet met zich dat niet voldaan is aan de vereisten voor verstrekking. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een schending van het verbod van inbreuk op het recht op respect voor privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat daarin bij wet, in dit geval de Wjsg, is voorzien en bij de verstrekking van de gegevens is gehandeld binnen de grenzen van de Wjsg. Er is daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende basis gegeven om gebruik te mogen maken van de processen-verbaal en het politiedossier voor het nemen van een rechtspositioneel besluit.
4.5.
Bij het bestreden besluit is het aan het primaire besluit ten grondslag gelegde plichtsverzuim bedoeld in 1.4 onder a), b) en c) uitgebreid met de gedragingen bedoeld
in 1.5 onder d) en e). Het betreft hier gedragingen die al eerder aan het ontslag ten grondslag hadden kunnen worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van
19 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2986) is het in een geval als dit niet toegestaan om de in een ontslagbesluit neergelegde tenlastelegging nadien bij een beslissing op bezwaar uit te breiden. Dit is in strijd met de in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte verplichting het primaire besluit op de grondslag van het bezwaar te heroverwegen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het ontslag van appellant moet dus worden geacht te zijn gebaseerd op enkel de gedragingen weergegeven onder 1.4.
4.6.
Voor de constatering van plichtsverzuim is niet nodig dat het bestuursorgaan zelf onderzoek naar de feiten heeft gedaan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2091) kan de overtuiging dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan ook zijn verkregen op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens die naar voren zijn gekomen in een niet onder verantwoordelijkheid van het betreffende bestuursorgaan uitgevoerd onderzoek.
4.7.
Niet in geschil is dat appellant niet de eerste klap heeft uitgedeeld. Uit de eigen verklaring van appellant tegenover de verbalisanten blijkt dat er een vechtpartij met meerdere personen ontstond kort nadat de belager, dB, hem een elleboogstoot gaf en appellant hem vervolgens een trap gaf. Toen appellant loskwam uit de vechtpartij zag hij zijn broer liggen en dB bij hem weglopen. Appellant is achter dB aangegaan en snel naar hem toegelopen. Daarbij vielen over en weer nog een paar klappen, waarbij appellant dB met zijn vuist op zijn kaak en op zijn schouder heeft geraakt. Vervolgens zag appellant dat dB wegliep in de richting van de Penninghoek en dat zijn broer dB achterna liep. Zijn broer en dB werden uit elkaar gehaald door een omstander. Daarna heeft appellant, waar de politie inmiddels bij stond, dB nog een keer geslagen ergens tussen hoofd en borst. Ook op de camerabeelden van de beveiligingscamera is te zien dat over en weer klappen vallen en dat appellant, nadat dB is weggelopen, weer achter dB aan gaat, terwijl hij zich juist op dat moment had kunnen onttrekken aan de vechtpartij. Dat appellant, naar hij ook nog ter zitting heeft gesteld, juist
de-escalerend heeft opgetreden omdat hij dB heeft willen aanhouden, kan de Raad niet volgen. Uit het verhoor van getuige P blijkt dat P aan de stem van appellant hoorde dat hij boos was en zag dat hij verhaal ging halen. Door als betrokkene bij de initiële vechtpartij tot twee keer toe dB achterna te lopen, heeft appellant bewust het risico genomen dat opnieuw een vechtpartij zou ontstaan. Met het dagelijks bestuur en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich niet heeft onttrokken aan de vechtpartij en niet of onvoldoende
de-escalerend heeft opgetreden. Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten D en dM en uit het proces-verbaal van getuige D naar aanleiding van de aangifte van appellant dat appellant zich bij zijn aanhouding hevig heeft verzet, waarbij uiteindelijk een nekklem is toegepast. Appellant zelf heeft hierover verklaard dat hij wilde kijken hoe zijn broer er aan toe was, maar dat hij zich niet bewust heeft verzet. Dit laatste laat evenwel onverlet dat uit een en ander valt af te leiden dat appellant niet heeft meegewerkt op het moment dat de verbalisanten de vechtpartij wilden beëindigen en hem wilden aanhouden. De Raad heeft uit het voorgaande de overtuiging verkregen dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Deze gedragingen moeten als plichtsverzuim worden aangemerkt. De stelling van appellant dat de politie zelf niet de-escalerend heeft opgetreden en de kwestie heeft verergerd, doet niet af aan het aandeel van appellant zelf in de bij de aanhouding ontstane situatie en maakt dus niet dat de gedragingen niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Overigens is het openbaar ministerie op basis van het interne onderzoek tot de conclusie gekomen dat sprake is geweest van rechtmatige geweldsaanwending door de politie.
4.8.
Appellant heeft aangevoerd dat het plichtsverzuim hem niet of niet ten volle kan worden toegerekend. Hij heeft benadrukt dat hij werd aangevallen en de belager slechts ter verantwoording wilde roepen. Het handgemeen dat vervolgens is ontstaan, is voortgekomen uit noodweer en een ‘gemoedstoestand van onrechtvaardigheid’. Deze beroepsgrond treft geen doel. Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Appellant heeft, mede gelet op wat onder 4.7 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat van niet toerekenbaar plichtsverzuim sprake was.
4.9.
De straf van ontslag is, gezien de ernst en aard van de gedragingen, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Juist van een ambtenaar in een hulpverlenende functie als die van appellant mag worden verwacht dat hij met conflictueuze situaties kan omgaan en kan samenwerken met andere hulpverleningsinstanties. Het gegeven dat de politierechter appellant bij vonnis van 3 juni 2016 zonder oplegging van straf of maatregel schuldig heeft verklaard ten aanzien van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, mishandeling en wederspannigheid, maakt de gedragingen niet minder ernstig. Door zijn gedragingen heeft appellant het in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd. Dat appellant een goede staat van dienst heeft en dat de financiële gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, maakt niet dat de opgelegde disciplinaire maatregel onevenredig is.
4.10.
Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) C. Moustaïne

HD