ECLI:NL:CRVB:2017:1843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en bijstandsrecht bij alleenstaande
Betrokkene keerde na zes jaar terug naar Nederland en woonde vanaf november 2013 bij A. Zij vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar de gemeente Rotterdam wees dit af op grond van het standpunt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor wederzijdse zorg tussen betrokkene en A.
In hoger beroep stelde de gemeente dat er wel sprake was van wederzijdse zorg, onder meer vanwege gezamenlijke boodschappen, gedeelde woonlasten bij inkomen, en zorg bij ziekte. De Raad onderzocht de objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding zoals vastgelegd in artikel 3 lid 3 WWB Pro.
De Raad stelde vast dat betrokkene en A weliswaar samenwoonden, maar dat betrokkene geen daadwerkelijke bijdrage leverde aan de kosten van de huishouding en geen zorg verleende aan A. Elementen als gezamenlijk eten en intenties tot zorg werden onvoldoende geacht om van wederzijdse zorg te spreken. Daarom werd het criterium van gezamenlijke huishouding niet vervuld.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van de gemeente af. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat geen sprake is van gezamenlijke huishouding.