ECLI:NL:CRVB:2017:1772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verblijf in buitenland niet gegrond verklaard
Appellant ontving sinds 2002 bijstand en meldde meerdere periodes van verblijf in het buitenland, waarvoor het college toestemming gaf met behoud van bijstand. In 2014 trok het college de bijstand in over de periode 1 juli 2009 tot en met 6 mei 2012 en vorderde de kosten terug wegens beschadiging van het paspoort waardoor verblijfdata niet konden worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat bankafschriften en medische gegevens de verblijfsperiodes konden onderbouwen, en dat niet vereist is dat in- en uitreisdata exact via het paspoort worden aangetoond.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had voor intrekking over de gehele periode. Uit de gegevens bleek dat appellant in 2011 langer dan de toegestane dertien weken in het buitenland verbleef, maar in andere jaren niet. De Raad vernietigde het besluit en droeg het college op opnieuw te beslissen, rekening houdend met de overschrijding in 2011.
Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed. De uitspraak benadrukt dat beschadiging van het paspoort niet automatisch leidt tot intrekking van bijstand zonder objectieve bewijsvoering over de verblijfsduur.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de gehele periode wordt vernietigd.