Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €19.517,59 voor AWBZ-zorg. Zij diende verantwoordingen in over het eerste en tweede halfjaar van 2014, die door het Zorgkantoor werden afgekeurd wegens inconsistenties en onvolledigheden. Het Zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde terugbetaling van te veel ontvangen voorschotten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraken omdat het beroep feitelijk gericht was tegen het vaststellingsbesluit van 2 april 2015, waartegen geen apart beroep was ingesteld. De Raad beoordeelt het beroep zelf en oordeelt dat appellante niet aan haar verantwoordingplicht heeft voldaan, mede door onduidelijke zorgovereenkomsten, inconsistenties in declaraties en betalingen.
De Raad bevestigt dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de voorschotten terug te vorderen op grond van de Awb. De stelling van appellante dat de terugvordering een punitief karakter heeft, wordt verworpen. De Raad veroordeelt het Zorgkantoor tot vergoeding van de proceskosten en verklaart het beroep ongegrond.