ECLI:NL:CRVB:2017:1439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig uitzendkracht, vroeg herhaaldelijk om een WAO-uitkering nadat deze aanvankelijk in 1991 was geweigerd wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid. Na eerdere afwijzingen en rechtszaken vroeg appellant in 2014 opnieuw om herziening van zijn uitkeringsrecht.
Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een herziening konden rechtvaardigen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat het UWV niet had onderzocht of appellant aanspraak kon maken op een uitkering vanaf de datum van het nieuwe verzoek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank het juiste toetsingskader had gehanteerd en dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.