Uitspraak
9 december 2015, 15/616 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant had voor de jaren 2012 en 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen, dat door het Zorgkantoor is ingetrokken wegens het niet voldoen aan de verantwoordingsverplichtingen. Ondanks een nieuwe indicatie van het CIZ in 2014 weigerde het Zorgkantoor opnieuw een pgb toe te kennen, omdat appellant zich niet had gehouden aan de verplichtingen van het eerdere pgb.
De rechtbank oordeelde dat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) verplicht was de verlening van het pgb te weigeren en dat er geen ruimte was voor een belangenafweging. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de schuld lag bij zijn bewindvoerder en dat er wel ruimte moest zijn voor een belangenafweging.
De Raad stelde vast dat de intrekkingsbesluiten voor de jaren 2012 en 2013 in rechte onaantastbaar zijn omdat appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Appellant kon geen concrete feiten aanvoeren die het eerdere besluit onterecht maakten. Gezien het dwingendrechtelijke karakter van artikel 2.6.4 Rsa was het Zorgkantoor verplicht de pgb-verlening te weigeren. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees de beroepsgrond af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb wegens niet-naleving van verantwoordingsverplichtingen.