Uitspraak
CIZ
OVERWEGINGEN
21 juli 2014 tot en met 11 november 2015.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, bekend met een borderline persoonlijkheidsstoornis en obesitas, was geïndiceerd voor individuele behandeling op grond van de AWBZ. Het CIZ heeft deze indicatie beëindigd omdat passende en voorliggende zorg binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) beschikbaar is.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat de medische adviezen zorgvuldig waren en het besluit van het CIZ terecht was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen zorgvuldige medische beoordeling had plaatsgevonden en dat zij beperkingen ondervindt door haar psychiatrische aandoening, waarbij zij tevens verzocht om een deskundige benoeming.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de indicatie voor individuele behandeling bevestigd.