ECLI:NL:CRVB:2017:1267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen WW-uitkering op basis van arbeidsovereenkomst uren
Appellanten hadden arbeidsovereenkomsten voor respectievelijk tien en twintig uren per week bij een werkgever die failliet werd verklaard. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst vroegen zij het UWV om overname van de betalingsverplichtingen op basis van feitelijk 41 uren per week. Het UWV kende de uitkering toe op grond van de contractuele uren. Appellanten maakten bezwaar en stelden dat zij meer uren hadden gewerkt en dat dit ook op grond van artikel 7:610b BW moest worden erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de loonvorderingen aan gerede twijfel onderhevig waren. In hoger beroep herhaalden appellanten hun standpunt en onderbouwden dit met openingstijden, kassagegevens en eigen specificaties. Zij wezen op het faillissementsrekest waarin zij 41 uren per week noemden, maar konden dit niet nader onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de schriftelijke arbeidsovereenkomsten leidend zijn en dat de gestelde overuren onvoldoende concreet en aanwijsbaar waren. De enkele niet-reactie van de werkgever op het faillissementsrekest is onvoldoende om de contractuele uren te wijzigen. Ook het beroep op artikel 7:610b BW faalde omdat de feitelijke uren niet voldoende waren bewezen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV mocht de WW-uitkering baseren op de schriftelijke arbeidsovereenkomst.