ECLI:NL:CRVB:2017:1266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaren buitenlandbijdragen Zvw over 2010-2014
Appellant, woonachtig in Duitsland sinds 2010, ontving arbeidsongeschiktheidsuitkering en een invaliditeitspensioen. CAK stelde op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en EU-verordening buitenlandbijdragen vast over de jaren 2010 tot en met 2014. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarvan enkele niet-ontvankelijk werden verklaard en andere ongegrond.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de beslissingen op bezwaar ongegrond en oordeelde dat CAK terecht de buitenlandbijdragen had vastgesteld op basis van de niet in Nederland belastbaar inkomen-beschikkingen (NiNbi-beschikkingen). Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk waren verklaard en dat CAK het vertrouwensbeginsel had geschonden doordat inhoudingen op zijn uitkeringen niet correct waren uitgevoerd, wat leidde tot nabetalingen. De Raad oordeelde dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk waren verklaard, dat de vaststelling van de buitenlandbijdragen binnen de wettelijke termijnen had plaatsgevonden en dat geen schriftelijke en ongeclausuleerde toezeggingen van CAK waren gedaan waarop appellant gerechtvaardigd vertrouwen kon baseren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren en wijst het hoger beroep af.