ECLI:NL:CRVB:2017:1261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot intrekking terugvorderingsbesluit op grond van verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant verzocht het college om intrekking van een terugvorderingsbesluit uit 2007, waarin kosten van ten onrechte verleende bijstand aan een derde werden teruggevorderd wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding. Het verzoek was gebaseerd op een vrijspraak in een strafrechtelijke procedure over uitkeringsfraude.
Het college wees het verzoek af met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de vrijspraak geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde die tot terugkomen van het besluit zou nopen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het strafrechtelijke arrest niet inhoudelijk vaststelt dat appellant niet heeft samengewoond met de derde en dat het bestuursrechtelijk beoordelingskader verschilt van het strafrechtelijk. Ook het beroep op het arrest Melo-Tadeu van het EHRM slaagde niet, omdat hier geen inbreuk op de onschuldpresumptie was. Verder was appellant bekend met de wettelijke grondslagen en had hij bezwaar kunnen maken in een eerdere procedure.
De Raad concludeerde dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en dat het besluit om niet terug te komen op het terugvorderingsbesluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het terugvorderingsbesluit wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.