Uitspraak
19 april 2016, 14/4389 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een ambtenaar, maakte bezwaar tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een LFNP-functie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant geen inhoudelijke gronden aan het bestreden besluit, maar verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad beoordeelde dat de totale duur van bezwaar en beroep ruim twee jaar bedroeg, waarbij de redelijke termijn met bijna drie maanden werd overschreden. De overschrijding was toe te rekenen aan zowel de korpschef als de rechtbank. De rechtbank had ambtshalve moeten toetsen of de termijnoverschrijding bestond en een schadevergoeding moeten toekennen, maar had dit nagelaten.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin geen vergoeding werd toegekend en kende alsnog een schadevergoeding toe van €500,-, waarvan €167,- ten laste van de korpschef en €333,- ten laste van de Staat der Nederlanden. Tevens werd appellant in de proceskosten en het griffierecht tegemoetgekomen.
Uitkomst: Schadevergoeding van €500,- wegens overschrijding redelijke termijn toegekend en proceskosten vergoed.