Uitspraak
24 maart 2016, 14/3418 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een LFNP-functie en was in beroep gegaan tegen de afwijzing van dat bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar overschreed de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met ruim drie maanden.
De Raad oordeelde dat appellant in hoger beroep geen inhoudelijke gronden tegen het besluit had aangevoerd, maar wel aanspraak maakte op vergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De overschrijding ontstond doordat de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn uitspraak deed.
De Raad stelde vast dat de overschrijding geheel aan de bestuursrechter was toe te rekenen en kende daarom een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.